[1] Sint = sintel – el. Sintel = slak.
[2] Arts = artiest – iet.
[3] Vlas: ww. vlassen op = happig zijn op, uitzien naar.
[4] Retro: Pia weg uit Pretoria " blijft over: retor. 'Komt terug' " met retor vorm je retro.
[5] Klaas: Klaas Vaak = sprookjesfiguur, die de kinderen zand in de ogen strooit, zodat ze gaan slapen.
Een stijve klaas = een houterige vent.
[6] Schol = 1. platvissoort. 2. ijsschots.
[7] Pellen = 1. Afschilferen, vervellen. 2. linnen stof voor handdoeken.
[8] Alsof = Al + sof. Sof = tegenslag, mislukking. Alsof: doen
alsof = de valse schijn geven.
[9] Sneuvelen = sneu + velen.
[10] Tenor: toeristenorganisatie.
[11] Oost = oo ( onderofficier ) + st ( sst = zwijg! )
[12] Brein: vrouwelijk roofdier = berin " brein, verstand.
[13] Bush = 1. oerwoud. 2. Amerikaans president.
[14] Stunt = huzarenstukje. Stoethaspel = onhandig persoon. Stuntelen = onhandig te werk gaan.
[15] Sol = ( van solutio ) , colloïdale
oplossing.
[16] Gehangene = in het huis van de gehangene spreekt men niet over de strop = men vermijdt een onderwerp dat pijnlijke herinneringen kan opwekken.
[17] Label = merk van grammofoonplaten. Label = lab + el.
[18] Soes = zacht gebak. Soesa = drukte. Soesa = soes A = eerste gebakje.
[19] Bron: Wel = bron; boerin – ei = born " bron.
[20] Vedelen = vioolspelen.
[21] Zonde: in de uitdr.: het is zonde = het is jammer. Uitdr.: dat is te bruin = dat gaat te ver ; een bruin leven leiden = het leven van een losbol.
[22] Akkergans = rietgans, bijna even groot als de wilde gans.
[23] Rijzen: rijs (meervoud: rijzen) = dunne takjes; jong rijs kan men buigen, oude bomen niet = kinderen kan men leiden, ouderen niet meer. Rijzen = opkomen.
[24] Veer = 1. een veer laten = iets van zijn eer verliezen. 2. overzetplaats over een water.
[25] Pasar =
markt, overdekte marktplaats. Pasar
= pas + ar.
[26] Krot: Kordaat – ada = kort " krot.
[27] Griet = 1. gemeenz. meisje. 2. soort platvis.
[28] Oker = 1. klei, gekleurd door ijzeroxide. 2. verf bereid uit oker.
[29] Pet = gemeenz.: nietswaardig.
[30] Hak: iemand een hak zetten = een poets bakken, een onaangename verrassing bezorgen.
[31] Dutten = 1. een kort licht slaapje doen. 2. een merk of teken slaan in.
[32] Olm = 1. loofboom. 2. blinde, pigmentloze salamander die leeft in de onderaardse grotten en bronnen in het Karstgebied.
[33] Wulps = geil. Wulp = geslacht van snipachtige vogels die in Nederland veel als broedvogel voorkomt.
[34] Eend: fig.: dom mens
[35] Okapi: kampioen – m,e,n = kapio " okapi.
[36] Salmi = ragout van gebraden gevogelte.
[37] Tuut = politieagent (gewestelijk)
[38] Nier: zuiver = rein, weergegeven " nier
[39] Gis = 1. Muz. een halve toon verhoogde g. 2. Gemeenz.: slim.
[40] Iers: klieren " uiers " min 'u' " iers.
[41] Peg = pin of spie, bv. om een
schaafbeitel vast te zetten.
[42] Tipgever: tip = 1. fooi. 2. aanwijzing, wenk van een ingewijde.
[43] Bras = 1.(scheepv.) elk van de twee touwen waarmee de raas omgehaald wordt. 2. brassen = overdadig eten en drinken.
[44] Nors: monsters – s, t, e, m = onrs
(en onvriendelijk) " nors
[45] Nee: nee verkopen = uitverkocht zijn.
[46] Tingeling = tin + geling. Gelen = geel worden.
[47] Ermitage = kluizenaarsverblijf. De letters van 'arme geit' leveren 'ermitage' op.
[48] Satire: artiesten – net = arties " satire
[49] Wezen = 1. schepsel 2. kern, innerlijk. Hij mag moedig lijken, in wezen is hij een lafaard.
[50] Peer = Barg.: kerel, vent.
[51] Garen: ergens garen bij spinnen = ergens voordeel uit trekken.
[52] Benen:ww:met grote stappen snel lopen.
[53] Dan = systeem van 10 onderscheidingen in een aantal Oosterse vechtsporten (judo, taekwondo, karate …)
[54] Naga = naja = brilslang, cobra. Controleren = nagaan;
[55] Makaak: mak + aak. Makaak = soort uit de familie der langstaartapen.
[56] Dong = munteenheid in Vietnam. Dingen naar = trachten te verwerven.
[57] Kloris = gemeenz. vrijer, onhandige man.
[58] Naaien = gemeenz. ernstig benadelen.
[59] Roman: normaal – al('al' niet) = norma " roman.
[60] Zwang = zwanger – er.
[61] Tsaren: dokters = artsen; 'zijn in de war van deze Russen': dus artsen " tsaren.
[62] Vlok: 'de hele natie(volk) ligt overhoop' " vlok.
[63] Jetje = 1. meisjesnaam. 2. uitdr: iemand van Jetje geven = iemand een pak slaag geven.
[64] Git: snaak = grappenmaker of guit. Guit zonder u = git " gitzwart.
[65] Stag = steunkabel op een schip. Overstag gaan = a. over een andere boeg gooien. b. van mening veranderen.
[66] Rekke = vrouwelijk ree in het derde jaar. Rekken = langer maken. Eindeloos " rekke.
[67] Korst: 'klooster' – 'leo' = kostr; 'met stukje brood '" korst.
[68] Noga: Angola – al ('reeds uit') = ango; en het moet 'lekkers' zijn, dus ango " noga.
[69] Keep = 1. insnijding, kerf. 2. soort vink.
[70] Chinezen = heroïne gebruiken door deze te verhitten en de rooksliert via een koker te inhaleren.
[71] Innen: beuren = geld ontvangen.
[72] Eerst: 'om te beginnen' = eerst. Er ontbreekt 'niets' of 'o' aan 'oester'; dus oester – o = ester " eerst.
[73] Pint = inhoudsmaat in Angelsaksische landen van ca 0.5 liter.
[74] Thor: schrap in 'hertogen' de letters van 'geen' " hrto; met deze letters vorm je de godheid 'thor'.
[75] Schrok = 1. gulzige eter, vraat. 2. verleden tijd van schrikken.
[76] Trog = kneedbak, voerbak voor varkens. 'het eten komt terug' " eten (gort) " trog.
[77] Okapi: 'ik' lig met 'grootvader = opa' overhoop. 'ik' + 'opa' overhoop halen om een dier te vormen " okapi.
[78] Stipt = precies. Stippen = indopen = even in een vloeistof brengen.
[79] Terp = ( in Friesland en Groningen ) hoogte waarop men woonde, om tegen het water beveiligd te zijn. Terp = pret(plezier) in omgekeerde volgorde.
[80] Bulken = 1.loeien(van rundvee). 2. (fig.) bulken van het geld = veel geld bezitten.
[81] Kiplekker: heerlijk smaken volgens "hen".
[82] Laura: 'Laureaten' - 'eten' " laura.
[83] Elan: 'handelaar' – 'haard' " nela (vuur) " elan
[84] Bern: 'Bremen' – 'me' = bren (+ 'vanuit Zwitserland') " Bern
[85] Italië: 'één' = I; hijswerktuig = talie (soort takel, scheepstakel)
[86] Zwoerd = Z (zet) + woerd (= mannetjeseend) = zwoerd = huid van spek.
[87] Zevental = Ze + vent (= leurt) + al (reeds)
[88] Anemie = bloedarmoede. Dorst = behoefte aan.
[89] Walm = dikke vettige rook. Walm – m = wal (oever, kade, kant)
[90] Namaak = Nam + aak (vaartuig).
[91] Alver = tot 20 cm lange karpersoort met zilverkleurige schubben. 'reeds op grote afstand' = al + ver.
[92] Talen = belangstelling tonen voor, zich iets aantrekken van.
[93] Botels: even (tel)in woud(bos) " bo tel s. botel = samentrekking van boot en hotel = varend hotel.